Regelement

Reglement der Broeders van den H. Ambrosius.

Wij ondergeschreevene ingesetene deser gemeente Echt alle liefhebbers der bijen door de goddelijke leeringe en grondregels van onse Roomsch Catholycke geloof onderweesen zijnde, dat alle voorspoed zoo eeuwig als tiidelijck welzijn, komen moet van boven den Gever aller gaeven.
En dat er ook niets aangenaemer kan zijnaan Godt, niets voordeeliger aan kerk en staet als eene opregte liefde voor malkanderen, een waare eendraegt en broederlijke geneegertheijd, zoo is het dat wij ondergeschreevene met eenparige stemme op den 17den September festo Sti Lamberti 1814 en op neuws 1836 hebben ingegaen eene vrijwillige onderneeming onder de bescherming van den H. Ambrosius om door de voorspraak van dien, heijlige Gods zeegen te verwerven over onse onderneeminge, alles edoch op de volgende conditien.

Artikel 1.
Alle jaaren op den feestdag van den Heijligen Ambrosius sijnde den 7e Desember zullen alle de Broeders gehouden zijn het H. Sacrifitie der Misse bij te woonen, hetwel in onse parochie kerck ter eere van onsen patroon sal gchouden worden en daar sal geen verontschuldinge ofte excuus worden aangenoomen als alleen eene swaare ziekte ofte andere wettige reeden, op pene van te verbeuren thien stuyvers kleefs ten profeijte van ons Broedschap en inval van·onmogelijkheid sal hij gehouden sijn het selven aan eenen van de assistenten aan te geven.

Artikel 2.
De Broeders zullen gehouden sijn sig te stellen op eene behoorlijke flambouw na den staal (vorm) also het broederschap vereijst en op die dagen de flambouwen brandende gebruyck worden en den Broeder self niet komen kan is hij verschoond volgens art. 1. Edoch mag hij door een mannelijk persoon ramplaesseeren, maar geen kinderen, dewelke soo een aangenaam broederlijk geselschap belaggeliik maeken ende welke een andermaansch flambouw gebruykt, verdient eene straf van thien stuyvers en daar en boven aan den eigenaar van de flambouw tot herstelling van schaede en confusie seffens eene neuwe flambouw besorgen, ofte in geld betaelen zonder van den overschot van de gebruykte flambouw iets te kunnen genieten.

Artikel 3.
Bij vergaederinge der gesaementlijcke Broeders sal een volkome vriendschap, eendragt en op regt liefde voor malkanderen stiptelijk onderhouden worden, en inval zeij imand door den drank, crakeel, vloeken, sweeren, God laster en quam te vetsuymen, sal van een ieder mogen vermaent worden op eene broederlijke wijse, Op peene van twee gulden cleefs en bij aldien hij sig aan deergelijck vermaeninge niet sou de willen stooren soo sal hij beij op-ste-naatheijd voor altijd uyt ons broederschap verweesen worden.

Artikel 4.
Alle jaaren op Sint Lambertus dag sullen de Broeders sig laten vinden ten huyse van den Durecteur en assistenten aangeweesen, tot het verpagten der bien dewelke in dry kollomme sullen uytgeset worden, en ider kollom voor dry jaaren aan de meestbiedende broeders en welke broeders sonder bien aanpagsters sijn, sullen voor een broederlijk kenteeken jaerelijks moeten inbrengen tien stuyver; de aenpagters en verdere broeders sullen gehouden sijn, alle jaaren op Sint Lambertusdag den beloofde pagt inbegreepen alle verschuldinge sonder uytstel punctelijck te voldoen onder borgstelling sijnde aan­. genoomen op peene van vijf stuyvers.

Artikel 5.
De bien die jaarlijks sullen verpagt worden, meugen niet minder swaar sijn,als agt en twintig ponden en den bien korf mag niet meerder aangezien worden als ses ponden, welke bien door twee onse meede Broeders, daar toe gestelt, sullen ondersogt en gevisiteert worden binnen drij daegen.

Artikel 6.
Verders ider Broeder is verpligt jaarlijks te geven een viertendeels pond was, ofte wel de waarde in geld op Sint Lambertus dag, zoo lang tot dat er anders in voorsien zal worden; edog soo door het afsterven van eenen broeder of broederen, was noedig soude weesen en geene andere middels tot de begravenis sijn soude, soo sal ieder Broeder naar aenmaninge het vierendeel pond wasch en verdere onkosten van begravenis en geld sonder tegenspraek moeten. voldoen.

Artikel 7.
Word ook uytgesprocken, is hetdat imand der Broeders inbegreepen sijne huysvrouw, wel te verstaen sijne huysvrouw en niet de huysvrouwen, dat is den Broeder sijne hebbende of sijne eens krijgende vrouw, de laetere echte vrouwen door den Broeder getrouwd meugen ook als broederen ingekocht worden, mits er voor te betaelen tien franken en een der selven soude komen te sterven in deese gemeente en anders niet, sal de familie genieten des ponde wasch tot dessens begraffenis, maar bij aldien dat den aflijvige zijne bien niet ingeleeverd soude hebben soo sal de familie daar van niets kunnen profiteeren, voor en aleer hier aan voldaen te hebben; verders de levende Broederinne van den aflevigen Broeder, staan alsdaen in de plaats van haaren man, voor alle goddelijke dienste van misse aangaende het broederschap bij te wonen, onder straf en verbintenisse, gelijk eenen andere broeder, soo lang sij sullen leeven en waar van sij in leeven van haaren man geen obligatie hebben.

Artikel 8.
De familie van den afleyvigen Broeders ofte wel sijne huysvrouw is verpligt terstond de dood kenbaar te maeken aan den secretaris, die alsdan door eenen andere broeder op tour sal laeten aenseggen, aan de andere broeders en verpligten ook de familie de dag en uur der begraffenis op te geven.

Artikel 9.
De broeders sullen het Leijck vergeselschappen en den geheelen diens godvrugtelijk bijwoonen op peene van tien stuyvers cleefs en met last inwendig acht daegen eene misse te hooren voor den afleijvigen broder en de regten der begraffenisse sullen door den secretaris op ordre van den directeur en sijn assistenten aan den tijdelijken pastor alhier betaelt worden.

Artikel 10.
In de vrindelijke vergaderinge word verboden alle jokkerij, schreuwen, oneerbare woorden en alle buyten spooringen, het beroepen tot ongelijke getuygen, sotterijen, met hunnen meede broeders, dienende tot verergernissen als strijdig tegen de soberheyd.

Artikel 11.
De voorstellingen in het aannemen van eenen nieuwen Broeder, sal geschieden door den Directeur en sijne assistenten op den 17den September, als wanneer dan de broders hunne stemmen tot aanneeminge kunnen geeven tot eenen nieuwen Broder, sal den selven door de meerderheijd van stemmen aangenoomen worden, inbegrepen alle hoegenaemde verschillen, veranderinge ofte verbeeteringe van conditien sullen indien noodig door meerderheijd aangenomen ofte met minderheijd verworpen worden.

Artikel 12.
Wij laeten ook toe aan den derecteur en sijne assistenten naar hun goeddunken jaarliiks op den dag van Sint Ambrosius, indiener middels sullen weesen, een recreatie te geven aan de gesaamentlijke waare Broeders en geene andere: In de kerkdiensten mag men door eenen behoorIijcken plaatsvervanger ramplasseeren volgens artikel 2e vervat, maar aan tafel moet …. (oningevuld. Waarschijnlijk “moet hij zelf aanwezig zijn”.)

Artikel 13.
AIle iaaren op den dag van Sint Ambrosius sal een hoogmis geschieden, tot welsijn van alle Broeders en eene singende misse daags daarna, als het doenelijk is tot laeffenisse der zielen van de overleedene Broders en susters ofte broderinne; in diengelijke misse sullen de Broders en Susters ofte broderinne om den outaar gaan en offeren eenen stuyver aan den geenen die op den koor er voor gestelt is tot behoudenis van het broderschap met een briefke van den naam daar bij, op dat die naamen aldaar mankeeren vervallen in eene boet of straf van dry stuyver, mits voor de selve bij te hooren eene geheele misse binnen acht daegen.

Artikel 14.
Wordt ook vastgesteld, dat het mogt gebeuren, dat imand der ondergeteekende meedebroeders quam te misdoen tegen eene der voorgaande artikels, door de gesaernentlijke broeders aangenomen en goedgekeurd, dat hij sig sonder eenige teegenspraek sal onderwerpen aandiergelijke straffen als de meerderheijd van stemmen sal geoordeelt worden te verdienen ten voordeelen van onse·vergaederingen, edoch zullen de straffen niet hooger mogen gaan als twee gulden cleef.

Artikel 15.
De bestuurders van het Broderschap sullen alle vier jaaren herkoosen worden, hetwelk eerst vervalt den 17 September 1839; edoch sullen de voorige bestuurders het recht hebben van door meerderheijd van stemmen wederom. ingestemd te mogen worden.

Artikel 16.
De gesaementlijke Broedersverpligten sig in val onder hun eenige hoog (hoe) genaamde disputen oft prosessen mogte komen te ontstaan, waardoor somweijlen groote schaade, haat en neijd mogte komen, sijn verpligt van dit aan te geven aan den directeur ofte dessens assistenten op. peene van dry guldens cleefs ten profeijte van ons broderschap en dat alle broeders gehouden sijn, in val sij daar van kennis hebben, het selve aan te geeven en dat door middeling van den selve bestuurders eenige hoog (hoe) genaamde schikking ofte dransimenten konden daar gestelt worden. Edoch eenen van hun sig niet willende onderwerpen aan billige voordragten en door middel van rechte sig willende bedienen is verplicht den bovengenoemde peenaliteijd sonder eenig teggenzeggen te betaelen.